Het orkest is het podium waarop je terecht komt met talent en doorzettingsvermogen. In elk geval heb je het muziekdiploma B aan de muziekschool behaald. Voor sommige instrumenten, hobo en dwarsfluit, heb je een C diploma nodig. De dirigent bepaalt uiteindelijk of je goed genoeg bent om bij het orkest te komen. Onder orkestbezetting wordt verstaan de mate waarin de benodigde instrumenten en partijen aanwezig zijn. Hoe beter de orkestbezetting is hoe beter de muziek zal klinken.

Laten we even kijken naar de bezetting van de verschillende instrumentgroepen en instrumenten in het orkest.

Het hout

Ook wel het hout genoemd omdat de instrumenten oorspronkelijk altijd van hout werden gemaakt. Tegenwoordig wordt soms ander materiaal gebruikt, bijvoorbeeld metaal. De oervorm van alle houten instrumenten is een houten pijp voorzien van een mondgat waar de lucht in wordt geblazen. De meeste houten blaasinstrumenten hebben hebben een groot aantal gaten, toongaten, die door de vingers kunnen worden gesloten en geopend, respectievelijk voor het verkrijgen van lagere en hogere tonen. Je kunt niet bij alle gaten met je vingers. Daarom zit er een kleppenmechaniek op de meeste instrumenten. De gaten zijn bedekt met metalen kleppen , we zouden kunnen zeggen kleine dekseltjes waarmee de gaten goed en snel kunnen worden afgesloten en geopend. Door middel van een hefboompje dat wel voor de vingers bereikbaar is, kun je gaten openen of sluiten die op een totaal andere plaats zitten. Rond 1830 ontwierp Theobald Böhm een nieuw kleppenmechanisme dat nog steeds toegepast wordt. De tegenwoordige houten blaasinstrumenten zijn het resultaat van een lange ontwikkeling. De eerste houten blaasinstrumenten die in het orkest (tijdens de barokperiode) verschenen waren de fluiten, de hobo en de fagot. In de klassieke periode, omstreeks 1750, kwam de klarinet erbij en in de 19e eeuw (romantische periode), werden de houtblazers weer verder uitgebreid. Deze uitbreiding bestond uit de toevoeging van de piccolo, althobo, bassethoorn, basklarinet en de contrafagot. De houtblazers zijn van kleppen voorzien. Hiermee kun je de toonhoogte regelen. De klarinet heeft een enkel rietblad, de hobo en de fagot een zgn. dubbelriet.

Fluit

Ook wel dwarsfluit genoemd, omdat deze van opzij wordt aangeblazen. Fluiten worden bijna altijd van metaal gemaakt, gewooonlijk zilver. De rechte buis is cylindrisch geboord. Het ene einde is open, het andere uiteinde afgesloten met een verstelbare kurken stop. De toon ontstaat door tegen de rand van het mondgat te blazen. De klank van de dwarsfluit is rond, warm en helder. Mede dank zij een geperfectioneerd stelsel van kleppen kan de fluitist de tonen zeer snel op elkaar laten volgen. Een speciaal klankeffect is de 'Flatterzunge'. Om dit effect te bereiken moet de speler tijdens het spelen een rollende R laten klinken. In blaasorkesten wordt meestal alleen de gewone dwarsfluit gebruikt (we zouden kunnen zeggen de sopraan) en de allerhoogste uit de fluitfamilie, de kleine fluit of piccolo. Minder vaak de lager klinkende altfluit. De basfluit wordt nog zelden bespeeld, evenals de contrabasfluit. Met flauto traverso wordt meestal de oude houten dwarsfluit zonder kleppen bedoeld, die vaak nog in oude muziek gebruikt wordt. Het geluid daarvan is zachter en doffer dan die van de moderne fluit. Een ander type fluit, die je nog wel eens in militaire muziek hoort en in optochten ziet, is de pijpersfluit. Een pijpersfluit is een kleine dwarsfluit en gemaakt uit één stuk. Soms heeft het instrument een klep.

Piccolo

Piccolo is een Italiaans woord en betekent klein. De 'flauto piccolo' is het kleinste instrument van de fluitfamilie. Hij is half zo groot als de dwarsfluit en klinkt daarom ook een stuk hoger. De buis is gemaakt van hout of metaal en heeft hetzelfde kleppenmechanisme als de dwarsfluit. De piccolo wordt bespeeld door over het mondstuk heen te blazen. Kleppen zorgen ervoor dat de gaten die in de buis van het instrument zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten van deze kleppen, kun je op dit instrument tonen maken. Het instrument heeft een helder, scherp en doordringend geluid en de hoogste tonen hoor je boven alle andere orkestinstrumenten uit.

Hobo

Het woord hobo is een afkomstig van het Franse woord hautbois, 'hoog hout', dat verwijst naar de klank van het instrument. De klank is doordringend en nasaal (neusklank). De hobo is een uiterst moeilijk te bespelen instrument. Er is geen tussenweg: of het klinkt fantastisch mooi, of het klinkt verschrikkelijk lelijk. De hobo bestaat uit een rechte hardhouten buis. Om het ontstaan van de toon bij de hobo nader te kunnen omschrijven, kijken we eerst naar het zogenaamde rietblad, meestal rietje genoemd, dat een essentieel onderdeel is van het instrument. Het materiaal hiervoor is een bijzondere op bamboe lijkende houtsoort, waarvan twee op elkaar passende dunne reepjes worden gesneden. De uiteinden hiervan moeten heel dun worden uitgeslepen, wat een erg precies werkje is. Veel hoboïsten snijden de rietjes zelf en het is ongeveer even moeilijk als het bespelen van het instrument: en dat terwijl houtsnijden toch weinig met muziek te maken lijkt te hebben. Het riet wordt vastgebonden op een kort metalen buisje (de stop) die vervolgens in het bovenste uiteinde van het instrument wordt gestoken. De ingeblazen lucht brengt nu eerst het riet in trilling en vervolgens de in het instrument aanwezige lucht. Kleppen zorgen ervoor dat de gaten, die in de buis van het instrument zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten van deze kleppen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken.De hobo behoort tot de familie van de dubbelrietinstrumenten. In blaasorkesten wordt vooral de gewone (sopraan) hobo gebruikt en soms ook de lager klinkede althobo. Dit laatste instrument wordt ook wel Engelse hoorn genoemd, hoewel het instrument noch Engels noch een hoorn is. Misschien is de benaming een verbastering van 'cor anglé' (gebogen hoorn). Het oorspronkelijke instrument had namelijk vaak een knik halverwege de buis. Tegenwoordig zit er alleen nog een knik in het mondstuk. Verder bezit de althobo een opvallende bolvormige beker. Het instrument heeft een droefgeestige klank. Daarnaast kennen we nog de 'oboe d'amore'. Deze heeft een peervormig uiteinde en heeft een mildere klank. De 'oboe da caccia' is de 18e eeuwse voorloper van de althobo. De baritonhobo die een octaaf lager klinkt dan de gewone hobo, wordt zelden bespeeld. De hoboïst geeft de toon aan bij het stemmen van het orkest.

Klarinet

De klarinet is gemaakt van hardhout of kunststof. Het instrument bestaat uit vier of vijf delen: het mondstuk, het tonnetje, het bovenstuk en de beker. Het mondstuk wordt van eboniet of glas gemaakt. Aan de onderkant van het mondstuk zit een stuk riet bevestigd d.m.v. een metalen band. Om geluid uit de klarinet te krijgen moet je lucht persen tussen het riet en het mondstuk. Hierdoor breng je het riet in trilling en wordt een toon gemaakt. De rechte buis van het instrument eeft achttien toongaten en 20-22 kleppen. De kleppen zorgen ervoor dat de gaten, die in de buis van het instrument zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten van deze kleppen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken.De klarinet ziet er ongeveer uit als een hobo, maar het geluid is heel anders: dit ligt aan het riet. De hoge tonen zijn scherp en doordringend, de lage zijn rond. De meest gebruikte klarinet is de bes-klarinet, daarnaast de hoger klinkende kleine (es)klarinet en de lagere alt- en basklarinet. De basklarinet lijkt een beetje op een saxofoon. De basklarinet is ongeveer twee keer zo lang als de bes-klarinet. Zeldzamer is de heel laag klinkende contrabasklarinet. De bassethoorn is een in 1770 uitgevonden altklarinet.

Fagot

De fagot is net zoals de hobo een houten dubbelrietinstrument. Beide instrumenten zijn verre familieleden van elkaar. Om geluid uit het instrument te krijgen, moet je net zoals bij de hobo, krachtig lucht door het riet persen. Hierdoor breng je het riet in trilling. Zo ontstaat een toon. Kleppen zorgen ervoor dat de gaten, die in de buis van het instrument zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten van deze kleppen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken. Van de 24 gaten zijn er negentien voorzien van een klep.De naam fagot komt uit de Franse taal (fagot = takkebos), verwijzend naar de oudste vormen van de fagot, een opgerolde of opgevouwen houten buis van enkele meters. De huidige fagot is echter nog maar één keer gevouwen. De fagot bestaat uit vijf losse onderdelen: de lucht gaat via het riet, de metalen S- of roerpijp, naar de vleugel (een smalle omlaag voerende zijbuis), in de kolf wordt de luchtrichting omhoog gebogen naar de baspijp om uiteindelijk in de beker uit te komen. De totale buislengte van de fagot is ca. 3 meter. De fagot is het laagst klinkende instrument van de houten blaasinstrumenten. Het instrument kan heel verschillend klinken: in de lage laag vol en krachtig, warm en donker. De middentonen worden veel gebruikt voor het spelen van solo's. Het hoge register heeft vooral een hoog, "geknepen" klinkend geluid. De contrafagot is de grote broer van de fagot en de buis heeft een lengte van ongeveer zes meter. De contrafagot geeft een zeer laag, knorrig geluid.

Saxofoons

Saxooons zijn altijd van metaal (koper) gemaakt en zijn, net als de klarinet, een enkelrietinstrument. Net als bij de klarinet is het stuk riet aan de onderkant van het mondstuk bevestigd d.m.v. een metalen band. Opavallend aan het instrument is het gebogen gedeelte waar het mondstuk op is vastgemaakt en de omhoog gedraaide beker. Hoewel de saxofoon van metaal wordt gemaakt wordt het toch tot 'het hout' gerekend, vanwege het riet en omdat de speeltechniek lijkt op de klarinettechniek. De vingerzetting is als die van de hobo, het mondstuk als dat van de klarinet. Een goede klarinettist kan vaak ook de saxofoon bespelen. Om geluid uit de saxofoon te krijgen moet je lucht persen tussen het riet en het mondstuk. Hierdoor breng je het riet in trilling en wordt een toon gemaakt. Kleppen zorgen ervoor dat de gaten, die in de buis van het instrument zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten van deze kleppen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken. Verschillende materialen van het mondstuk en ook de dikte en kwaliteit van het riet zorgen voor verschillende klankkleuren. De saxofoon is naast het gebruik in harmonie- en fanfareorkesten vooral populair in de jazz- en popmuziek. Er zijn veel soorten saxofoons. Van hoog tot laag klinkend zijn dat de sopranino, de sopraan, de alt, de tenor, de bariton, de bas en de contrabas. De sopraan, alt, tenor en baritonsaxofoons zijn het meest in gebruik. De sopraan heeft een recht vorm, de andere saxofoons zijn gebogen.

Het koper

Het materiaal waarvan deze instrumenten zijn gemaakt is een legering van metaal, waarin koper een belangrijk bestanddeel is. Vandaar de naam koperen blaasinstrumenten of kortweg het koper. Koperen blaasinstrumenten zijn zo lang - van ongeveer één tot vijf meter - dat de buis meerdere malen moet worden omgebogen terwille van de hanteerbaarheid. De buis loopt uit in een een min of meer wijde beker. Op de instrumenten wordt een trechtervormig mondstuk geplaatst dat als steun voor de lippen dient. De kunst van het blazen bestaat uit het opwekken van trillingen in de lippen die vervolgens worden overgebracht op de luchtkolom in het instrument waardoor een toon ontstaat. Door het aantal trillingen te vergroten kan een reeks van ongeveer acht tot zestien steeds hogere natuurtonen worden verkregen. De daar tussenliggende tonen ontstaan door de hoofdbuis te verlengen. Deze buisverlenging kan op twee manieren tot stand komen:Door het indrukken van kleine pompjes, ventielen genoemd, krijgt de lucht toegang tot extra buisjes. Als gevolg van van de aldus verkregen buisverlengingen worden de natuurtonen verlaagd. koperen blaasinstrumenten die voorzien zijn van drie of vier van dergelijke ventielen worden ventielinstrumenten genoemd (trompet, hoorn en tuba). Elk ventiel schakelt een extra stukje buis in. Met drie ventielen heb je dan zeven mogelijkheden.De hoofdbuis van het instrument wordt door middel van een schuif of coulisse verlengd waardoor de natuurtonen eveneens verlaagd kunnen worden (trombone). Er zijn trouwens ook ventieltrombones.Koperen blaasinstrumenten hebben een groot volume, ze klinken luid, dus voor de koperblazers is het moeilijk om zacht te spelen. Een van de neveneffecten van het blazen op koper is de opeenhoping van vocht in de buis. Koperblazers kunnen verschillende kleppen openzetten om het overtollige vocht er uit te laten lopen.Koperen blaasinstrumenten werden vanwege hun krachtige, stralende klank oorspronkelijk bij de jacht, in het leger en bij godsdienstige plechtigheden gebruikt. In het leger werden bijvoorbeeld op het koper signalen geblazen, die voor de soldaten betekenden dat ze tot de aanval moesten overgaan. Tijdens de barok-periode (ca. 1720), waren er hoorns en trompetten in het orkest. Dit waren natuurhoorns- en trompetten, instrumenten die nog geen ventielen hadden om de toonhoogte te regelen. Hierdoor konden ze maar een beperkt aantal tonen spelen: natuurtonen en door overblazen ook boventonen.Tijdens de overgang naar de klassieke periode (ca. 1750), werden trombones aan het orkest toegevoegd.Het heeft een tijd geduurd voordat elke toon (binnen bepaalde grenzen) gespeeld kon worden. Er kwamen verschillende oplossingen. Men maakte beugels van verschillende lengte, waardoor andere series tonen ontstonden (hoorn); er werden gaten in de instrumenten geboord, zoals bij de houten blaasinstrumenten (klephoorn); het schuifsysteem van de trombone werd toegepast, en er waren zelfs instrumenten waarbij 7 buizen van verschillende lengte tot één instrument werden verenigd (althoorn). De definitieve oplossing kwam door de komst van ventielen, begin 19e eeuw. Deze uitvinding heeft grote gevolgen gehad voor de koperen blaasinstrumenten. Met name in de 19e eeuw werden dan ook veel koperen blaasinstrumenten ontwikkeld. Een aantal daarvan verdween alweer snel.Pas in de romantische periode (ca. 1850), was de groep koperblazers compleet met de toevoeging van de tuba.

Trompet

Een van de hoogst klinkende koperen blaasinstrumenten met een heldere toon. Door de kunstige manier waarop de buis gebogen is zou je niet zeggen dat deze toch nog ongeveer anderhalve meter lang is.Om geluid uit een trompet (en andere koperblazers) te krijgen is het niet voldoende om krachteloos door de buis te blazen, je moet de lucht juist met enige kracht door de buis persen met behulp van lipspanning (embouchure). Het geluid van de trompet wordt dan geproduceerd door het vibreren van de lippen tegen het komvormige mondstuk. Door het indrukken of loslaten van ventielen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken. Deze ventielen zorgen ervoor dat de de buis van het instrument verkort (hogere tonen) of verlengd (lagere tonen) kan worden.In tegenstelling tot de hoorn welke roterende ventielen heeft, bezit de trompet een schuifventielen. De moderne trompet heeft 3 ventielen en een kleine schuif die met de pink bewogen moet worden.Voordat de trompet ventielen kreeg kon je maar een beperkt aantal tonen spelen op dit instrument. De tonen waren alleen hoog en werden bereikt door het veranderen van de lipspanning en de perskracht waarmee de lucht door de buis werd geblazen.Zoals bij zoveel muziekinstrumenten is ook voor de trompet een aantal instrumenten ontwikkeld met verschillende stemmingen. Vroeger bestonden er trompetten in de D en Es stemming, maar tegenwoordig zijn vooral de C- en Bes-trompet populair. Er zijn trompetten in allerlei soorten: van de kleine hoge sopranino tot de bastrompet toe. In blaasorkesten wordt alleen de gewone (sopraan)trompet gebruikt. De trompet is een transponerend instrument.

Kornet

De kornet (cornet à pistons) werd rond 1825 gecreëerd door drukventielen aan te brengen op de posthoorn, de cornet de post. Uiterlijk lijkt de kornet veel op een trompet. De klank is echter lichter, weker, als gevolg van de wijdere en meer conische boring van de buis in plaats van een cilindrische boring. Verder is het mondstuk anders. De kornet is makkelijker te bespelen dan de trompet. Het toonbereik is gelijk aan dat van de trompet, de stemming is in Bes of in A. Soms wordt ook nog een kleinere en hogere (es)kornet gebruikt.

Hoorn

Ook Franse hoorn genoemd ter onderscheiding van andere in blaasorkesten voorkomende hoorns, hoewel de meeste hoorns tegenwoordig Duits zijn. Nog een andere naam voor hetzelfde instrument is waldhoorn en hiermee wordt eigenlijk al aangegeven dat het instrument afstamt van de jachthoorn. .De hoorn is evenals de trompet voorzien van een stelsel van ventielen, bij de hoorn draaiventielen. De vele ombuigingen van de buis zijn nodig omdat deze maar liefst ongeveer vier meter lang is. De koperen buis heeft een conische, nauwe boring. Aan de dunne kant van de buis wordt het trechtervormige mondstuk geplaatst. De andere opening van de buis bestaat uit een wijd uitlopende beker.Het geluid wordt geproduceerd door het vibreren van de lippen van de speler tegen het trechtervormige mondstuk. Door het indrukken of loslaten van ventielen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken. Deze ventielen zorgen ervoor dat de de buis van het instrument verkort (hogere tonen) of verlengd (lagere tonen) kan worden. De hoorn is het expressiefste en moeilijkst bespeelbare koperen blaasinstrument in het orkest. Met name de hoogste tonen zijn moeilijk uitvoerbaar. De klank is een kwint lager dan de notatie.De klank van de hoorn is erg rond maar als de hoornist de hand diep in de beker stopt wordt de klank scherper, maar gedempt. Met de hand in de beker kan ook een toon ongeveer een halve toon worden verlaagd, het zogenaamde "stoppen".Eenvoudigere uitvoeringen van de hoorn heten stellahoorn of mellofonium. deze zijn gemakkelijker te bespelen dan de echte hoorn en worden daarom soms door amateurs gebruikt maar de klankkwaliteit is minder.De Wagnertuba of waldhoorntuba is in feite een hoorn, met een beker van de tuba en een mondstuk van de hoorn. Het heeft 4 ventielen en staat in F of Bes.Oorspronkelijk werd de hoorn gebruikt voor het geven van signalen. De meest gebruikte natuurhoorns (zonder ventielen) waren die in lage Bes, C, D, Es, E, F, G, A en Bes hoog. Op de hoge hoorns waren de hoge tonen, op de lage hoorns de lage tonen het gemakkelijkst uit te voeren. De gewone hoorn is doorgaans een F-instrument, met behulp van een klep kan geschakeld worden naar de Bes-stemming van het instrument. Het instrument vervult nu een belangrijke rol in het symfonie-orkest. In de tijd van Mozart en Haydn telde het orkest 2 hoornisten, maar sinds de Romantiek spelen vier tot zes hoornisten mee die nog steeds zijn onderverdeeld in hoge (de eerste en de derde) en lage blazers (de tweede en de vierde). De hoorn kwam voor het eerst in orkesten voor om het geluid van de jachthoorn te verklanken, maar komt nu voor in allerlei soorten muziek.De hoorn behoort tot de transponerende instrumenten.

Trombone

De trombone of bazuin heeft dezelfde heldere toon als de trompet maar door de grotere buislengte is de toon een stuk lager. Het geluid wordt geproduceerd door het vibreren van de lippen van de speler tegen het mondstuk aan. Het instrument bestaat uit een cylindrisch geboorde buis en een U vormig beweegbare buis: de schuif of coulisse, uitlopend in een wijde beker. De lucht wordt ingeblazen via een ketelmondstuk, dat groter is dan dat van de trompet. Door de schuif in of uit te trekken wordt de lengte van de pijp kleiner of groter en als gevolg daarvan de toon hoger danwel lager. Elke stand van de buis (er zijn er zeven) noemt men een positie. Het traploos glijden van de ene naar de andere toon heet glissando.In het moderne orkest worden gewoonlijk 2 (tenor)trombones en een bastrombone gebruikt. De tenortrombone kan door een apart "kwartventiel" worden verstemd tot een bastrombone. De sopraan-, alt- en contrabastrombone zijn in onbruik geraakt.

Saxhoorns

Adolphe Sax, de ontwerper van de saxofoon, heeft ook nog de uitvinding van een grote familie koperen ventielinstrumenten op zijn naam staan. Rond 1840 kwam hij met een familie van vijf, later zelfs tien koperen blaasinstrumenten met een conische boring. De klank is daardoor erg week. Dit is de reden dat deze familie wel het zachte koper wordt genoemd in tegenstelling tot het heldere koper waartoe we de trompetten en de trombone rekenen. De saxhoorns worden veel in blaasorkesten gebruikt: de kleine bugel, sopraanbugel, althoorn, bariton of tenortuba, bastuba en contrabastuba. De stemming is Es of Bes.Het woord bugel komt van het Latijnse buculus, dat 'os' betekent. De eerste bugels werden van ossehoorns gemaakt. Oorspronkelijk was de bugel een jachtinstrument. De eerste bugels met ventielen werden omstreeks 1830 in Oostenrijk gebouwd en tien jaar later door Adolphe Sax omgebouwd tot de vorm waarin we ze nu kennen. De bugel heeft een ketelmondstuk en een wijde mensuur. De buis verloopt conisch en heeft een relatief smalle beker. De bugel blaast minder zwaar dan de trompet, maar klinkt ook minder 'stralend'. het is de alt van de saxhoorns, omvang gelijk aan die van de trompet, stemming meestal in Bes, ook in Es.
De flügelhorn is een tussenvorm van kornet en bugel, Hij wordt vooral gebruikt in fanfareorkesten, en soms in de jazz.De althoorn in Es is in onbruik geraakt.De tenortuba of bariton in Bes wordt vooral in harmonieorkesten gebruikt.Het euphonium is een tenortuba die vooral wordt gebruikt door fanfareorkesten. De naam euphonium stamt van het Griekse "euphonia", wat goed klinkend betekent, deze naam is goed gekozen, omdat het euphonium een diepe, rijke toon voortbrengt. Bij het euphonium ontstaat regelmatig enige spraakverwarring, omdat het instrument in diverse landen anders wordt genoemd: tenorhoorn, tenortuba, bariton, baryton. Toch is er verschil tussen de bariton en het euphonium. Het euphonium heeft een iets wijdere boring, is iets groter en heeft een dieper geluid dan de kleinere bariton.Evenals vrijwel alle andere koperinstrumenten is ook dit instrument een afstammeling van de Romeinse hoorn. Het euphonium bestaat uuit een conisch wijduitlopende buis en heeft doorgaans drie draai- of schuifventielen. Ook voor dit instrument is de ontwikkeling van deze ventielen van groot belang geweest voor de ontwikkeling van het instrument. Het plaatsen van een vierde ventiel bij heeft niet alleen het bereik van het instrument vergroot, maar ook het bespelen vergemakkelijkt en de klank in het lage register verbeterd. De bespeler gebruikt een ketelmondstuk om het instrument aan te spreken.
TubaDe (contra)bastuba (contrabasse à pistons), meestal kortweg tuba genoemd, is het grootste en dus het laagst klinkende koperen blaasinstrument. Door zijn enorme geluidsterkte speelt er maar één tuba mee in een symfonie-orkest. De tuba of blaasbas is voor een blaasorkest (harmonie, fanfare, brassband) de basis omdat dit instrument de laagste tonen kan spelen.Het geluid van de tuba wordt geproduceerd door het vibreren van de lippen tegen het komvormige mondstuk. Evenals bij de hoorn en het euphonium is de lange buis van de blaasbas opgerold. De tuba is een instrument met wijde mensuur en 3 tot 5 ventielen. Door het indrukken of loslaten van ventielen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken. Deze ventielen kunnen schuif- dan wel draaiventielen zijn. Ze zorgen ervoor dat de de buis van het instrument verkort (hogere tonen) of verlengd (lagere tonen) kan worden.De eerste echte bastuba's stonden in F (voor orkestgebruik) of Es (voor de fanfare). De tuba in Es met een ronde vorm, wordt ook wel bombardon genoemd. De omvang is ongeveer hetzelfde als van de bastuba, alleen omhoog een octaaf minder. De besbas (de orkestversie staat in C) is nu de normale bas in fanfareorkesten en militaire kapellen.Om de draagbaarheid te vergroten ontwierpen enkele fabrikanten helicons, circelvormige instrumenten waarbij de klankbeker op de linkerschouder rustte en de tuba onder de linkerarm doorliep. De sousafoon (ontworpen door John Philip Sousa) is een helicon met de klankbeker naar voren.

Het slagwerk

Slaginstrumenten: een zeer grote groep van instrumenten, meestal aangeduid als het slagwerk of percussie.De instrumenten van de slagwerksectie van het moderne orkest bestaan uit twee basistypen: instrumenten die in een bepaalde toonhoogte zijn gestemd, zoals de pauk en de xylofoon, en instrumenten met een onbepaalde toonhoogte, zoals de triangel, de grote trom en de tamboerijn. Op gestemde instrumenten kunnen melodieën worden gespeeld. In het orkest staat het slagwek meestal achteraan. Omdat de slagwerkers vaak van instrument naar instrument moeten lopen trekken ze snel de aandacht.Trommels zijn waarschijnlijk de oudste muziekinstrumenten, zoals de kleine trom, die tegenwoordig nog steeds wordt bespeeld. De geschiedenis van de orkestslagwerkgroep dateert uit het midden van de 18e eeuw (eind barok- begin klassieke periode), toen voor het eerst pauken, bekkens en triangel werden ingevoerd.

Pauken

De pauk of keteltrom is het belangrijkste instrument in de slagwerksectie van het westerse symfonieorkest. De pauk kan op een bepaalde toonhoogte worden gestemd en wordt als ritme- en melodie-instrument gebruikt. Pauken zijn koperen ketels in de vorm van een halve bol waarover een dun vel is gespannen op een raamwerk dat bestaat uit een vaste en een verstelbare ring. Door het verstellen van de beweegbare ring kan de toonhoogte zeer precies worden ingesteld. De vellen kunnen worden aangeslagen met stokken die aan het uiteinde meestal voorzien zijn van een vilten bol of kurken of houten kop. Er zijn vilten bollen in drie hardheidsgradaties: zacht, medium of hard. Meestal wordt aangeslagen op een kwart van de diameter, meer naar het centrum wordt de toon doffer. Als een toon niet mag doorklinken wordt hij afgedempt met de hand.Het instrument kan tonen van verschillende hoogte voortbrengen, doordat de spanning van het vel gewijzigd kan worden. Dit gebeurt door het indrukken van een voetpedaal. Zelfs het spelen van glissando's is daardoor mogelijk. Ook zijn pauken verschillend van grootte, waardoor de tonen die ze kunnen voortbrengen in hoogte verschillen. De pauken worden minimaal paarsgewijze gebruikt, maar een moderne orkestpaukenist gebruikt ten minste vijf pedaalpauken met verschillende afmetingen.Het bekendste geluid op van de pauk is de roffel. De twee stokken met kop wisselen elkaar bij het slaan op het vel in hoog tempo af. Meestal gaat de roffel nog gepaard met een geleidelijk toenemend volume.

Kleine trom

De kleine trom (militaire trom, snare drum, side drum) is een instrument dat bestaat uit een houten of metalen cilindervormig geraamte dat aan de boven- en onderkant bespannen is met een vel, van kalfshuid of kunststof. Het bovenste vel is strakker gespannen als het onderste. De trom is gewoonlijk ook voorzien van minimaal acht snaren van darm of metaal die onder het onderste vel zijn gespannen om extra scherpte aan het geluid te geven: zij trillen mee als op het bovenste vel geslagen wordt. De snaren moeten de juiste spanning hebben voor een optimale klank - daarvoor zijn schroeven aangebracht. De snaren kunnen ook uitgeschakeld worden. Bij de drumband wordt de kleine trom aan een leren schouderband gedragen en iets schuin gehouden bespeeld. Moderne trommen voor drumbands zijn meestal zo'n 17 cm diep, met een doorsnede van 38 cm.De in de (symfonie)orkesten gebruikte kleine trom is meestal 15 tot 20 cm diep, met een doorsnede van 35 cm en is vaak bevestigd op een statief. Met een hefboom kan de slagwerker de snaren buiten werking stellen wanneer hij de trom niet gebruikt. De snaren kunnen anders snel door de klank van andere instrumenten in trilling worden gebracht, wat een duidelijk hoorbaar geratel veoorzaakt.De kleine trom wordt met twee 38 cm lange, dunne harde houten stokken met kogelvormige top bespeeld en is een veel gebruikt ritme-instrument. Er kunnen heel complexe ritmische figuren worden gespeeld. Door een roffel te slaan - een reeks snel opelkaar volgende aanslagen met de 2 stokken - kan de slagwerker een lang aanhoudende toon krijgen. Dat vereist wel veel oefening!De roertrom of tenor drum is een wat groter exemplaar en heeft geen snaren. Zijn frame bestaat meestal uit essenhout en is voorzien van koorden. De afmetingen liggen tussen 35 en 60 cm hoogte, de doorsnee van het vel ligt tussen de 28 en 40 cm. De klank is aanmerkelijk lager en doffer dan van de kleine trom.Tom-toms zijn kleine houten trommels van verschillende formaten, zonder snaren en met dubbele kalfsvellen, die beide worden gespannen. Kleine toms zijn in paren aan elkaar bevestigd. Ze staan op een standaard of zijn aan de bassdrum van een drumstel aangebracht. Tom-toms hebben meestal geen vaste toonhoogte, maar kunnen ruwweg op een toonhoogte van E tot Bes worden gestemd door middel van spanschroeven. Er bestaan sets met chromatische toms.

Grote trom

Dit instrument heeft meestal een houten cilindervormig geraamte en is aan de boven- en onderkant met een vel (tegenwoordig meestal van kunststof, vroeger van kalfshuid) bespannen. Hij klinkt zwaar, laag en dof. De toonhoogte kan niet gewijzigd worden. De eenvellige gongtrom komt niet veel meer voor.In het orkest staat de grote trom meestal rechtop op een statief, maar het instrument kan met een mechanisme in horizontale richting worden gedraaid. Hij wordt aangeslagen met een stok met een vilten kop (klopper). De grote trom wordt ook wel Turkse trom genoemd (vanwege zijn afkomst).Ook in de drumband, de harmonie en fanfare speelt de grote trom een belangrijke rol. De trom is dan een stuk kleiner, met een hoogte van 30 - 40 cm, en een diameter van ca. 36 cm. De militaire of parade trom rust tegen de borst van de bespeler, met beide vellen opzij gericht. De spanning van de vellen kan bijgesteld worden met schroeven, stangen of koorden. De bespeler van de grote trom bepaalt het marstempo en geeft met twee snelle klappen aan wanneer de kapel met spelen moet stoppen.Ook het drumstel heeft een grote trom, ook wel bass-drum genoemd. Deze wordt aangeslagen met een voetpedaal (zie afbeelding). Meestal heeft het maar één vel. De hoogte is 30 - 40 cm, de diameter 45 - 60 cm.

Bongo's

Bongo's zijn hoogklinkende kleine cilindertrommels uit Latijns-Amerika. Ze worden meestal per paar bespeeld, de ene trom groter dan de andere. De metalen rand, die het strak gespannen vel op z'n plaats houdt, zit lager dan het vel, zodat de speler niet met z'n vingers op de rand slaat. Je kunt verschillende klanken en toonhoogtes uit een bongo halen, door het vel in het midden of aan de rand, met de vingers of met de palm van de hand aan te slaan. Met spanschroeven kan het vel gestemd worden. Door met de duimen op het vel te duwen, kunnen kleine variaties in de toonhoogte gemaakt wordenVaak worden twee aan elkaar bevestigde bongo's tussen de knieën geklemd, maar ze kunnen ook op een standaard staan.

Conga's

De laagklinkende conga's spelen een hoofdrol in alle soorten Latijns-Amerikaanse muziek, ofschoon ze waarschijnlijk afkomstig zijn uit Afrika. De conga's hebben één vel en een langwerpige, taps toelopende cilinder. De metalen rand, die het vel op z'n plaats houdt, zit lager dan het vel, zodat de speler niet met z'n vingers op de rand slaat.Conga's worden meestal bespeeld in groepen van twee of drie trommen, waarbij de instrumenten verschillend worden gestemd. Dit gebeurt met spanschroeven. Er bestaan conga's van allerlei formaten. De tumba is een verwant instrument, met een bolle, conische vorm en binnenin een centrale stemschroef.Je kunt verschillende klanken en toonhoogtes uit een conga halen, door het vel in het midden of aan de rand, met de vingers of met de handpalmen aan te slaan. Je kunt het vel ook met de ene hand indrukken (afdempen) en er met de andere hand op slaan. Meestal houdt de speler het instrument tussen zijn knieën.

Tamboerijn

De tamboerijn is een kleine handtrom, die bestaat uit een rond houten frame van ongeveer 6 cm hoogte, waarin schellen (miniatuurbekkens) zijn bevestigd. Meestal is het frame bespannen met een vel. Soms kan dat vel gespannen worden met 4 tot 6 spanschroeven. De tamboerijn wordt aangeslagen met de vingers, knokkels, met de rug of met de bal van de hand, terwijl het instrument tegelijkertijd heen en weer wordt geschud. De verschillende aanslagmogelijkheden zorgen voor veel verschillende klankeffecten. Het lijkt misschien een eenvoudig te bespelen instrument, maar het tegendeel is waar. Het is om te beginnen al moeilijk dit instrument op te pakken zonder daar herrie bij te maken. Verder zijn er zeer gecompliceerde ritmepatronen voor de tamboerijn geschreven.

Woodblock

De naam zegt het al, het is een houten blok. Eigenlijk is het woodblock een kleine houten spleettrom. Spleettrommen worden gemaakt van een stuk hout of bamboe, dat wordt uitgehold door een spleet (dit is de klank- of resonantieruimte) langs de zijkant. De maten variëren van kleine instrumenten (zoals het woodblock) tot grote Afrikaanse spleettrommen, die gebruikt worden als signaal-instrument. Het woodblock wordt in het midden aangeslagen door een houten stok.In het orkest is hij goed te horen, en komt boven alle andere instrumenten uit.

We mogen als Harmonie Orkest Twente erg blij zijn met de huidige bezetting van ons orkest. Deze is ook hard nodig nu we spelen in de eerste divisie (voorheen de Vaandelafdeling). Op dit hoge niveau red je het als orkest niet meer zonder goede orkestbezetting. Dit aantal is natuurlijk steeds aan verandering onderhevig. Om allerlei redenen kunnen muzikanten afhaken, er kunnen zich nieuwe aanmelden, en er stromen nieuwe muzikanten door vanuit het opleidingsorkest.

Drumstel

Rock- pop en jazzdrummers bespelen gewoonlijk een drumstel, een compacte groep van slaginstrumenten. In het midden staat de grote trom (bassdrum) met een diameter van ca. 60 cm die door middel van een pedaal met de rechtervoet wordt bediend. Daaromheen staan een snaredrum, drie of meer tom-toms en verschillende soorten (opgehangen) bekkens (cymbals). Een bijzondere bekkensoort is de hi-hat, twee bekkens op een statief, waarbij één bekken met een pedaal die met de linkervoet wordt bespeeld, tegen een ander -vast op het statief gemonteerd - bekken wordt geslagen. De drummer slaat aan met stokken of brushes. Brushes, een soort bezempjes van verend materiaal, leveren een veel zachtere klank op. De slagwerker kan er mee 'vegen' of slaan. De pedalen van de bassdrum en de hi-hat zijn ontwikkeld omdat de drummer zo, door behalve zijn handen ook zijn voeten te gebruiken, meer trommen en bekkens kan bespelen.

Bekkens

Bekkens of cimbalen zijn ronde, dunne metalen platen die tegen elkaar worden aangeslagen. Ook kunnen ze op een statief zijn aangebracht en worden dan met een (meestal houten) stok aangeslagen.Bekkens zijn er in verschillende maten en vormen een belangrijk onderdeel van het drumstel.Hoe groter de bekkens, hoe dieper het geluid. Ook de dikte heeft daar invloed op: dunne bekkens geven een vibrerend, rinkelend geluid, dikke bekkens hebben een vollere en zwaardere klank. Als je bekkens stevig tegenelkaar hebt geslagen en ze boven je hoofd houdt, klinken ze zeer lang door. Naast oorverdovende slagen zijn met cimbalen ook subtiele effecten mogelijk door ze langselkaar te schuiven in een vertikale beweging.In de orkesten worden meestal dunnere cimbalen gebruikt vervaardigd uit een legering van koper en tin.Het bekken is ook onderdeel van het drumstel. Het enkelvoudig bekken staat hier op een statief en wordt aangeslagen met stokken in alle soorten en maten, van hard naar zacht. Een andere aanslagvorm is met brushes. Een bijzonder vorm van bekkens zijn de hi-hat bekkens.Vingercimbalen zijn kleppers, meestal van koper of zilver, hele kleine bekkens. Ze worden in Azië, Egypte en Griekenland door dansers gebruikt.

Tamtam/gong

Een tamtam is een metalen schijf, dat in het midden met een stok met een vilten kop (hamer) wordt aangeslagen. Demping van de toon geschiedt met de hand. Ze hangen gewoonlijk vrij met een koord aan een raamwerk. De toonhoogte is afhankelijk van de grootte en het gewicht van de gong. De gong komt van oorsprong uit Zuid-Oost Azië. De eerste exemplaren waren platte ronde borden, hoewel vele latere gongs een bolstaand oppervlak of een bult in het midden hebben.Je hebt gongs in allerlei soorten en maten, maar de grote gongs in het westerse orkest worden vaak tamtams genoemd (niet te verwarren met Afrikaanse houten trommels die soms ook tam-tams genoemd worden).De tamtam is een vlakke bronzen gong met een lange nagalm, zonder vaste toonhoogte en een diameter van zeker 1 meter om diep genoeg te klinken. Vooral de naklank is belangrijk. Het klankkarakter verandert met de soort stok die wordt gebruikt.In een orkest worden ook wel eens gongklokken gebruikt, een reeks van bronzen gongs met bepaalde toonhoogten, gemonteerd in een frame.

Melodisch slagwerk

Tot het slagwerk behoort ook een groep instrumenten die voorzien zijn van een reeks afgestemde houten blokjes of metalen staafjes. Het zijn er zoveel dat je er melodieën op kan spelen. Ze worden bespeeld met stokken met een kleine bol. De bespeler kan zelfs twee stokken in elke hand houden zodat vierstemmig spel mogelijk is.De xylofoon en de marimba hebben houten blokjes terwijl het klokkenspel en de vibrafoon voorzien zijn van metalen staafjes. Bij dit laatste instrument worden in de onder hangende resonansbuizen langs elektrische weg trillingen opgewekt waardoor de toon een vibrerend karakter krijgt. Een klokkenspel waarvan de klank doet denken aan een carillon zijn de buisklokken, een reeks holle staven die in een rek hangen en met houten hamers worden aangeslagen.

Xylofoon

De xylofoon bestaat uit een reeks gestemde staven, meestal van hardhout (palissander) op een frame. De vorm van de staven is rechthoekig, licht gewelfd, aan de onderkant enigszins uitgehold. De kleinste heeft een lengte van 13,5 cm, de grootste meet 38 cm. De staven met de hoogste tonen zijn het kortst. De staven liggen op dezelfde volgorde als de toetsen van een piano. Onder de staven hangen buisvormige resonatoren die de klank versterken. De xylofoon wordt aangeslagen met hamertjes (van hout, rubber of plastic) of stokken. Deze lepelachtige houten stokken worden ook wel mallets genoemd. Om heel zacht te kunnen spelen zijn er stokken waarvan de kop met rubber is overtrokken. De klank is droog en om een nagalm te simuleren gebrukt de speler vaak het middel van de triller.De meest gangbare xylofoon heeft een dubbele rij staven, die in de volgorde liggen van een piano-toetsenbord, dus op toon gerangschikt. Deze moderne orkestxylofoon is het belangrijkste gestemde slaginstrument. Zij bestaan in verschillende formaten. De notatie is een octaaf lager dan de klank.In 1874 werd de xylofoon voor het eerst opgenomen in het orkest toen Camille Saint-Saëns het instrument in zijn Danse macabre de rammelende botten van de doden liet uitbeelden. De xylofoon had toen 4 rijen met staven op een trapeziumvormig frame, in plaats van twee.De grotere zus van de xylofoon is de marimba. De marimba werd rond 1910 in de VS ontwikkeld. Hij staat een octaaf lager gestemd dan de xylofoon en dankt daaraan zijn warmere, vollere en diepere klank. Het toonbereik is 3 tot 5 octaven. De marimba kan ook met vier in plaats van twee stokken bespeeld worden, voor warme, diepe akkoorden. Meestal worden stokken met zachte, met vilt beklede koppen gebruikt.De vibrafoon, een combinatie van klokkenspel en xylofoon, ontstond in 1921 in de VS. Onder de metalen staven bevinden zich buisvormige resonatoren, afgesloten met schijfjes, die door een electromotor in trilling worden gebracht. Hierdoor ontstaat het typische vibrato-effect. Het heeft ook een pedaal waarmee de het uitklinken gedempt kan worden. De klankstaven worden aangeslagen met speciale vibrafoonstokken.

Buisklokken

Dit is een melodie-slaginstrument dat bestaat uit een serie holle metalen buizen van verschillende lengte en een gelijke diameter. De buizen hangen in een raamwerk en worden aan de bovenkant met een hamer aangeslagen. De nagalm kan via een mechanisme met de voet gedempt worden. Het standaardinstrument heeft 18 buizen en een toonbereik van 1,5 oktaaf, maar er zijn er ook met 25 buizen. Het geluid lijkt op een carillon of kerkklokken.Het klokkenspel lijkt op de xylofoon en de marimba, maar is kleiner en de klankstaven zijn van metaal. Ze zijn in 2 rijen aangebracht, net als de witte en zwarte toetsen van een piano. Hte geheel zit in een platte kast. De staven worden met kleine metalen hamertjes aangeslagen. De klank lijkt op het tinkelen van bellen. het bereik is 2 1/2 octaaf. Het moderne klokkenspel ontstond in Nederland, waar het na 1650 vanuit Indonesië werd geïntroduceerd. Het heette aanvankelijk "miniatuurcarillon". Sedert de 18e eeuw worden in orkesten klokken gebruikt. Voor 1850 gebruikte men klokkenspelen met toetsen.De lyra (kloklier ) is een draagbaar klokkenspel dat in de 19e eeuw voor Duitse fanfareorkesten werd ontworpen. Het bestaat uit een rij metalen staafjes die zijn gemonteerd in een liervormig frame op een houten handvat. Het instrument wordt gedragen in een gordel en schuin naar boven gericht, vastgehouden met één hand, terwijl de andere hand het instrument met een metalen hamertje bespeelt. De lyra heeft een hoge, tinkelende toon en klinkt zeer doordringend.De celesta, uitgevonden in 1886, is een klokkenspel dat oogt als een piano, het raamwerk met staven zit in een kast. De metalen staven worden aangeslagen via met vilt bedekte hamertjes, die worden geactiveerd door een eenvoudig pianomechaniek en dito klaviatuur. De notering is een octaaf lager dan de werkelijke klank.